Regendruppel

REGENDRUPPEL

Uit oudste dampkringconstellatie
geperst tot willekeurige wolk
oefent deze regendruppel

tesamen met talloze anderen
gebundeld bij stormkracht
en strijdend bij zonlicht

tegen steeds anonieme vensters
te pletter slaand en haast
onmerkbaar vergaan tot aardkorst

toch via oceaanzang stijgend weer
thermisch duizelingwekkend
zich in het ongeborene.

Uit de reeks: WISWERK

Maanbestaan

MAANBESTAAN

Wie waarheid wenst te dienen
dient te weten wel hoe
niets ontstaat

wonderwet leert
wijze mens dat stervend
dus jij niet vergaat

adem doorspoelt vlees
en geest in vrede
helend wond en waan

elk spiegeloog ontraadselt
zich bij levend
maanbestaan.

Uit de reeks: Toebehoor
ILLustratie: HORISHIGE

Een vergissing (Osip Mandelstam)

Uw gezicht pijnlijk ongrijpbaar
wist ik beneveld niet te raken;
dwaas hoorde ik “Heer”
omdat mijn mond niet zweeg

een vogel soeverein gevleugeld
verliet Gods naam mijn hart;
voor mijn ogen wervelt de nevel,
achter me een kooi, leeg.

Bron:
Mandelstam, Ossip: Gedichte – Paul Celan (Übersetzer). Frankfurt 2017 (oorspr. 1959), p. 21
Mandelstam, Osip: Complete Poetry of Osip Emilevich Mandelstam; translated by B. Raffel and Alla Burago. Albany 1973, p. 46
ILLustratie: Albrecht Dürer

Gebed (Osip Mandelstam)

GEBED

Help me, Heer, vannacht mijn leven te bewaren.
Behoed me, Heer, uw dienaar toch, uw slaaf.
Hoor, Heer, mijn geadem in deze menigte, mijn graf.

Bron:
Wiman, Christian: Stolen Air;
Selected Poems of Osip Mandelstam.
New York 2012, p. 28

Een variant:

Schenk me de kracht, Heer, deze nacht te doorstaan,
want ik, uw slaaf, vrees voor mijn leven:
ik beweeg door deze stad alsof ik slaap in een zerk.

Bronnen:
Mandelstam, Osip: Complete Poetry of Osip Emilevich Mandelstam; translated by B. Raffel and Alla Burago. Albany 1973, p. 188
en Brown, Clarence: Mandelstam. New York 1973, p. 126

Zuiver geweten (door Ryokan)

ZUIVER GEWETEN

Subtiele onderscheidingen tussen goed en kwaad onderzoek ik niet,
ik streef er niet naar de wereldse stof van roem en rijkdom te vergaren;
deze vochtige avond, onder het veilige dak van mijn rieten woning,
laat ik mijn benen zich strekken met een volkomen zuiver geweten.

Bron: Nobuyuki Yuasa: The Zen poems of Ryokan.
Princeton 1981, p. 59
Foto: REPLICA VAN rYOKAN’S HUT (olympiazencenter.org)

 

Dagbesteding

Toelichting: de oorspronkelijke titel van deze tekst van Zen-meester Zhaozhou (778-897) luidt “Lied van de twaalf uren van de dag” (een uur in China staat gelijk aan twee uren in het Westen). Een loflied op de bevrijdingsweg.

De haan kraait; het eerste uur van de dag.
Droefheid is voelbaar, moedeloos sta ik op.

Geen lendedoek, geen onderhemd,
enkel iets dat in de verte lijkt op een pij.
Een onderbroek zonder taille, de werkbroek aan flarden;
het hoofd bedekt met vijftien kilo grauwe stof.
Als je op deze manier oefent en anderen van dienst wilt zijn,
dan besef je wat voor nietsnut je eigenlijk bent.

Zonlicht op de vloer; het tweede uur van de dag.
Een vervallen tempel in een afgelegen dorp, niets noemenswaardigs.

In de ochtendpap is geen korrel rijst te vinden;
ik staar naar het open raam met zijn vuile scheuren.
Enkel het gekwetter van mussen, niemand die ik tot vriend ben;
zittend hier in mijn eentje, hoor ik af en toe wat bladeren vallen.
Wie zei er dat je met thuisverlaten alle voorkeur en tegenzin kwijtraakt?
Als ik erbij stilsta, wordt mijn zakdoek onwillekeurig vochtig van de tranen.

De zon komt op; het derde uur van de dag.
Ongereptheid verandert in rusteloze drang.

Lees verder...

Iets doen om beloning is begraven worden in het vuil;
het domein van grenzeloosheid is nog niet schoongeveegd.
Vaak fronsen zich mijn wenkbrauwen, zelden van harte tevreden;
het valt niet mee de verschrompelde grijze dorpelingen te verdragen.
Schenkingen hebben deze plek nooit weten te vinden;
een vrijlopende ezel vreet onkruid aan de ingang van de oefenruimte.

Etenstijd; het vierde uur van de dag.
Halfslachtig probeer ik het vuur aan te steken, aan alle kanten kijkend.

De voorraad meel en koekjes is vorig jaar al opgegaan;
nu ik eraan denk, krijg ik slechts speeksel te slikken.
Onophoudelijk gezucht: de dingen vallen zelden in verband;
temidden van de talrijke personen zijn er geen goede mensen.
Degenen die hier langskomen vragen enkel om een kop thee,
en als dit niets oplevert verdwijnen zij weer, nors mompelend.

Halverwege de ochtend; het vijfde uur van de dag.
Had iemand ooit gedacht, toen ik me kaal schoor, dat het er zo aan toe zou gaan?

Er was geen bijzondere aanleiding een dorpspriester te willen worden,
afgezonderd, hongerig en eenzaam, meer dood dan levend.
Van de kant van de brave burgers hier
heb ik nooit het geringste respect ervaren.
Onlangs nog kwamen zij aankloppen aan mijn poort,
maar het enige dat men zocht, was wat thee en wat papier te leen.

De zon staat in het Zuiden; het zesde uur van de dag.
Er zijn geen speciale voorschriften om te gaan bedelen voor rijst en thee.

Eerst naar de zuidelijke woningen, dan naar de noordelijke;
het spreekt vanzelf dat ik langs de route slechts excuses hoor.
Het zout is bitter, de gerst zuur,
een pasta van gierstgras, gemengd met snijbiet.
Noem het maar ‘Geschenken niet onwaardig zijn’;
een bodhisattva moet zijn geest van de Weg stevig vestigen.

Ondergaande zon; het zevende uur van de dag.
Draai alles om; niet langer opereer je in het gebied van licht en schaduw.

Ooit hoorde ik: “Eenmaal vervuld, vergeet je de verhongering.”
dat is precies hoe mijn lijf vandaag voelt.
Geen Zen-onderzoek, geen overwegen van wetmatigheid,
enkel het spreiden van deze haveloze mat en een dutje in de zon.
Een mens kan beelden maken, verhevener nog dan de Tushita-hemel,
maar dat haalt het niet bij deze zon-gebakken rug.

Namiddag; het achtste uur van de dag.
Kijk, iemand blijkt wierook te branden en buigingen te maken.

Van deze vijf oude dametjes hebben er drie een bierbuik,
de andere twee hebben een gezicht dat bol staat van de rimpels.
Lijnzaad-thee, zo zeldzaam,
dat de twee beschermgoden hun spieren niet hoeven te roeren.
Ik bid dat, als volgend jaar de zijde en gerst gerijpt zijn,
de eerwaarde Rahula mij zal groeten.

Zonsondergang; het negende uur van de dag.
Wat valt er te beschermen, behalve ongerepte wildernis?

Een monnik toont zijn grootsheid in functieloos bewogen worden;
van tempel tot tempel gaand, heeft hij de eeuwigheid.
Code overstijgende woorden komen niet via de mond;
belangeloos ga je verder waar Boeddha’s zonen ophielden.
In je handen een staf van onbewerkt braamhout,
om bergen te beklimmen, maar ook om honden te verjagen.

Gouden duisternis; het tiende uur van de dag.
Alleen rustend in het duister van dit ene, lege vertrek.

Voorgoed onvatbaar voor het flakkerend kaarslicht
is de puurheid hier voor mijn ogen gitzwart.
Zelfs een bel die braafjes de dag afrondt hoor ik niet,
enkel het luidruchtig gescharrel van oude ratten.
Wat heeft een mens nou nodig om zich verbonden te voelen:
elk van mijn gedachten is verlichtingsbesef.

Tijd om te slapen; het elfde uur van de dag.
Heldere maan boven de poort: misgunt hij zich ook maar iemand?

Nu ik weer naar binnen ga, betreur ik dat het bedtijd is;
de kleren om mijn lijf doen dienst als deken.
Hoofdmonnik Liu en asceet Chang:
prachtig, hoe zij lipwapperend goedheid bespreken!
Wat doet het ertoe als mijn loze vleesvracht wordt geledigd;
vraag je “Waarom?”, dan zal elk antwoord jou blijven verbijsteren.

Middernacht; het twaalfde uur van de dag.
Hoe zou dit beleven er zelfs maar één moment niét kunnen zijn?

Als ik denk nu aan hen die hun wereldse woning verlaten,
voel ik me een eeuwenoude tempeldienaar.
Er is dit bed van aarde, een versleten rieten mat,
en een oude, houten hoofdsteun zonder enige bekleding.
Het heilig beeld van de Boeddha krijgt geen wierookverering;
uit de as van het strovuur klinkt het schijten van de os.

Bron: James Green: The recorded sayings of Zen master Joshu. Boston 1998, p. 171
Uit de reeks: Vertalingen / Kluizenaars

Ingedaald

INGEDAALD

Vijf minuten houvast
om verontrust te herademen
kosmisch machtsvertoon

acute zinnenwerking
niet traceerbaar krachtiger
dan solide contracten

broze boeketten herinnering
en lauwe beloften – nee, geef me
serum van betekenisvoller gif

moge dit precair verval ons
allen uiterst secuur kokhalzen
naar ultieme bevrijding

diepst ontwaakt fijnst geboren
uit niets bewegend weefsel van
intens vitaal oerverband

laat ik steeds krachtiger zuiverder
kijken naar de dolende mens
zo duister en vreemd miskennend

de tekens van werkelijk lijden
in ieders amechtig veruiterlijkte huid
dit desondanks nog lichtjes dromend

zielsverrukt vlokje
dat alle wezens ondoorgrondelijk lief
vergunt hun ongeboren aard.

Uit de reeks: wiswerk