Getroffen

GODINNENGROND

Zij die hier hurkt
is niet iemand
die handen gebruikt

haar vingers
beroeren het zegel
van aarde

tot heilige dorst
die nooit minder dan
eeuwigheid stilt.

VERBEELDING

Van hart tot hart bots ik
op beelden van gedrag

zodra ze vallen weet je
niet meer wat gebeurt

zie ze sidderen jouw
gaaf geplaatste sokkels.

WAARDEN

Over hechte waarden
sprak ik in glazen leemte

maar gaandeweg bleek dit
verblijf al tellenlang gewijzigd

waarom leert men ons spreken als
mond op mond naar voorbeeld praat

als van mens tot mens dit hart
niet verder komt dan kuchen.

GEGEVEN

Aan de voorraadschuren rond het huis
hangen gerangschikt vele tuigen

op de onbebouwde akker treedt
glanzend zwart een kraai.

MEEMAKEN

Wakend tussen de halmen
hoor ik trommels naderen
op overvolle aders

statig stappen zevenhonderd
lichtmatrozen in strak gelid
door mijn vermoeide ogen

moet ik opstaan in hun maat
of zal hun doortocht
blijken overdaad te zijn?

HULP

Zijn hulp bestaat uit levend riet
waardoor de wind kan zingen

van oudsher kiest hij aanplant
die verschoond is van belang

zo laat men groei betijen
maak van dracht je liefdesgift.

SCHRAAL

Zuigend van de grond af aan
betrekt het vocht de stenen muur
waarlangs werkzame aarde
zich weert in taaie groei

een kille wind brengt jachtig
regen die mij verschraald
regen die binnenskamers
mij verschraald doet omzien

beslotenheid biedt nu
geen lang gevraagde vrede
maar ongemak van waan
ooit eens te zijn verworpen.

KRACHTMETING

Als je mij benadert
geeft mijn oog al maat
aan jouw gedoe

zodra jij toeslaat
kan ik niet sterker zijn
dan staande

ik ken jou niet vooraf
je kunt van steen zijn
of van invloed altijd

zal ik alles geven
om te weren
wat ons deert

te wenden wat
uit onmacht zich
van mij heeft afgekeerd.