Tijdzang

GLIJVLUCHT

Jij:voordat we deze reis ondernemen,
moet je mij tot leven zingen.
Ik:beloof me dat ik sterven mag
alvorens wij op weg gaan.

JIJ

Geen dag dat ik je niet gedenk
steeds zoekt huid huid ten prooi
maar raakt het hart onbeantwoord

dus adem ik me los in luchtklank
en dank god dat jij je mededeelt
in goudgeur steevast ongevraagd.

GEDOGEN

Blik weg van vooruitzicht
loze rechten op wat werd

in wat jij bent en baart
zich altijd nestelt

kracht die splijtend ons
vereent tot leeflicht

gedoog kind dat
moeizaam zo zichzelve kent

niets wordt hier gedeeld
dat niet delend thuishoort.

TELEGRAM

Jij die snel en ver je ankers werpt
ontstemde serenades zingt de zee

zeg of dit ademwaken jou ontbindt
van de niet te stelpen stroom

die roeiers machteloos laat sterven
hun hart niet in het reine.

OVERVLOED

Jou lossen is me vestigen centraler
waar asrotatie het sterkst vibreert
manoeuvreert dit stille zinken zich
tot steevast feestend werkverkeer.

HIËRARCHIE

Het is niet anders het
universum laat zich niet verlakken
sla dus pennen in de grond
en bid om koord opdat
de stem ontbroken zich hore

zo groot kan geen mond zijn
keelgat borst of torso
voorbeeldig dient klank geleid
draagkracht gekoesterd
want leegte wil jou nodigen

naar waakzang
reiken miljarden vingers
de ene geest weet zich gekend
niemand zal wenen
roerloos gericht.