Bloeiwijzen

Zeven mandalabloemen

ECHTHEID

Ongeboren straal je
stervormig
deinend in het fijnste
glorielicht

schenkt achteloos
wie mindert zicht en
gunt meertaligen hun
droom bewimperd

je leeft puur
ver reikend als een
niet te bergen lach

ongekend mens
in het laaiend heelal
van jouw hart.

GOEDHEID

Zacht maak jij het
steen dat ons omgeeft
als een huid ons
doordringend met adem

zalvend zelfs ruwste
omgang tot
betrouwbare tover
van aandacht

in ieder oog
welt
jouw wijsheidslicht

elke drijfveer
kent
jouw handen.

RUIMTE

Opgenomen in wat
vreemdste vorm was
zichtbaar overvraagd
opent miij dit

naadloos fijne
ondermijnt uiterst vredig
laatste duidelijkheden
omtrent jou

verregaandst
bedrog vereffent
alle doel

voortaan deel ik
zelfs niet ademend
elk aanwezig zijn.

KRACHT

Je suizelt door mijn
fijnste aders
en fluistert in elke nis
mijn naam

verrijzend
uit oude slaap
nijg ik voor de rondgang
van je geur

maar wen ons
minzaam
aan je waangeweld

verruim voorgoed
de toegang
tot jouw wenkbrauw.

PRECISIE

Niet waar te nemen
zuiverheid blijft intact
geen vogel vraagt
naar wat hem draagt

stilaan kneden
jouw contouren mij
tot weids vertrek
van ontademd raken

er bestaan cellen
die windkracht
tarten

er is een woord dat
lijkt te kunnen
zwijgen.

OVERGAVE

In de diepte
in de breedte
in verste fijnheid
golft je stem

elke vorm komt
voort uit soepel
wenswerk ooit
van verwoording

je bent een zaad
dat nergens
oogst

en nieuwer bloeit
dan glansrijkste
geboorte.

VREDE

Lek het wachtwoord
niet naar buiten
de kolkende haard
biedt voldoende

heet welkom wie
beschroomd aanbelt
om het schroeien
van de dorst

onze rijkdom
is het rustbed
dat zij zochten

zoals jouw eenvoud
de tover is
die mij zingt.