Steenslag

WAKE

Vreemde werking trekt ons open
in cellendans van leegte
wordt het oude droomlicht
liefdevol verwerkelijkt

in vurig steenoog
vredig ontgrensd
trekt vreemde volheid jou open
planetenspuwend hart.

PAS ALS

Pas als koortsige eigenwaan
ondraaglijk gaat woeden
slik je grif het medicijn
van overgave

pas als nooit vermoed je
hartsrust vreemd duistert
werf je om toevlucht
bij onvoorwaardelijkheid

pas als valse lokzang
laatste waardigheid beschaamt
mag de bloem van waarheid
zich liefdevol tonen.

NALATIG

Bewust nalatig maak jij
ongeborene uit rulste stof
de beste gebaren

weke breinen blazen vaag
intussen hun dagelijkse
vulling tot groot gemis

als dolenden zoeken
zij teer onthand een huis
in hardste werking

maar van diamant reeds
is ons bewegen en
nergens valt iets stil.

OCHTENDWENS

De zon scheert kruinen rood
met ochtendlicht

vogelparen vertakken zich
er heerst winterkou

thee bemoedigt de monnik
tot golvend gezang

gesel leven ontward
mijn laatste huid uw liefde in.

WAARHEIDSHART

Als een bloem opent zich
elke ochtend de beoefenaar
voor hemelse braafheid
en aards gebroed

lichtjes smelt de greep als
gloed verteert het breinpus
trilt zelfs kristalsteen in kracht
van altijd oudere herkomst

tot korrelwoord
doorspoelde waarheid
dat alle wereld gebaar is
van een verzwegen lijf.

GROM

Enkel werking
niks verwerking
spul na spul is
speelkwartier

leven spoelt
vermenigvuldigd
fijntjes door dit
beeldendier

voor en door
en na detectie
gromt waarheid van
ontplofplezier.

Bloeiwijzen

Zeven mandalabloemen

ECHTHEID

Ongeboren straal je
stervormig
deinend in het fijnste
glorielicht

schenkt achteloos
wie mindert zicht en
gunt meertaligen hun
droom bewimperd

je leeft puur
ver reikend als een
niet te bergen lach

ongekend mens
in het laaiend heelal
van jouw hart.

GOEDHEID

Zacht maak jij het
steen dat ons omgeeft
als een huid ons
doordringend met adem

zalvend zelfs ruwste
omgang tot
betrouwbare tover
van aandacht

in ieder oog
welt
jouw wijsheidslicht

elke drijfveer
kent
jouw handen.

RUIMTE

Opgenomen in wat
vreemdste vorm was
zichtbaar overvraagd
opent miij dit

naadloos fijne
ondermijnt uiterst vredig
laatste duidelijkheden
omtrent jou

verregaandst
bedrog vereffent
alle doel

voortaan deel ik
zelfs niet ademend
elk aanwezig zijn.

KRACHT

Je suizelt door mijn
fijnste aders
en fluistert in elke nis
mijn naam

oprijzend
uit oude slaap
nijg ik voor de rondgang
van je geur

maar wen ons
minzaam
aan je waangeweld

verruim voorgoed
de toegang
tot jouw wenkbrauw.

PRECISIE

Niet waar te nemen
zuiverheid blijft intact
welke vogel vraagt naar
wat hem draagt

stilaan kneden
jouw contouren mij
tot een weids vertrek
van ontademing

er bestaan cellen
die windkracht
tarten

er is een woord dat
lijkt te kunnen
zwijgen.

OVERGAVE

In de diepte
in de breedte
in verste fijnheid
golft je stem

elke vorm komt
voort uit soepel
wenswerk ooit
van verwoording

je bent een zaad
dat nergens
oogst

en nieuwer bloeit
dan glansrijkste
geboorte.

VREDE

Lek het wachtwoord
niet naar buiten
de kolkende haard
biedt voldoende

heet welkom wie
beschroomd aanbelt
om het schroeien
van de dorst

onze rijkdom
is het rustbed
dat zij zoeken

zoals jouw eenvoud
de tover is
die mij zingt.

Nieuw

ONTKETEND

Als gelei pulseer je
in alle richting

je ontsluiert mij
van binnenuit.

GLANS

Wat vrijkomt aan glans
uit het afscheid van grijpen
danst doorheen verwording en
naijlend gruis de contouren
aan flarden van een uitgewoond
strijdperk – vreedzaam
lijden stroomt heilig
door de rijzende branding
van enkelvoudig
licht.

JUWEEL

Nieuw is wat zonder begin
nergens eindigt nooit
neerkomt dus op gemak
– ijdele opsmuk
voor de ontwende lichtganger
getooid met wat wereld
steevast achteloos wegzet
om eeuwen later te propageren
als wensvervullend
relikwie.

GROTER

Aan greep onttrokken suf
benoemd en kinderlijk
gekoesterd ben ik illusie
na illusie gaan wisselen
om beter geld – groter goed
deed mij vermoeden dat
ingaan op allerfijnst gewin
per saldo toegang geeft
tot werkelijk voorhanden
overvloed.

ZONNEN

Grote zonnen lang gezocht
openen hun bloeikracht
in de banen van het vlees
zijn zo de levensdagen
van langdurig licht
voorzien – rimpeloos vredig
vlei ik me neer bij de stroom
en zie de lome vinslagen blind
gehoorzamen hun razend
gezag.

STROOM

Tegen de stroom in leef je
steeds nieuwer gevrijwaard
van marktwerking steeds
dieper de kracht in van
oorspronkelijk vertrouwd
het ongeborene zijn dat
geen tweede kent – jij
waarzegger die loon weigert
voor de weelde van
stuwsel.

VERZADIGD

Volle opname
veroorlooft niets anders
dan in roerloze eenvoud
elk soort bewogenheid
genietend te laten malen
in het gretig ratelen
der tekens – nieuw
is dan hoe immens vredig
adem zich in ons
uitleeft.

OOGLOOS

Het ongeziene laat
zich innerlijk beleven als
een serum dat ruim
tast het van vele wanden
ontgrensd bestaan – ik
weet me overbodig hier
en zoek lichte toevlucht
bij vochtgedoog zolang
verdorring komt nog met
kapsones.

EEUWIG

Nu de tere woeling niets
ontziet en sneller zich
verplaatst dan wijsheid
bijbeent blijft er niets
meer over – vreugde
zelfs is teveel gezocht
in vormhouvast van een zieleheil
dat superieur voortkauwt op
haar nooit te verteren
volheidsvezel.

WAKKER

Voortaan hoef je je niet
te profileren op het spel
staat werkelijk niets
van belang is slechts
geen ik te dragen – ja
zelfontdekking begint
in helle eerlijkheid van
elk mens die waardig
meegaan weigert met
gedroom.

ONTKOESTERD

Woorden zijn kreten
uit de strelingskern

zucht jij
me bezingend.

Bestaan

BESTAAN

In de afvalemmer schimmelt
een oude poetslap

zomergeur drijft binnen
door het raam

nergens een onafheid
dit bestaan.

KIJK

Vanwaar je geklungel
drukte om de drukte
van het ijdele grijpen
gemor om kruimels

aanvaard het geklaag
van spijtige wandaad
of wrokkig verzet om
lonk en lekking

kijk naar de kleinheid
en voel je hart hunkeren
naar dat magisch ene
vlokje waarheidszang.

OVERSTEEK

Bodem stroomt niet
steek over

ruimte beweegt niet
laat los

waarheid sterft niet
sta op

liefde liegt niet
zeg ja.

WERELDEN

Grote roerselen van beschaving
wereldvrede geconsolideerd en
genoteerd aan duurste beurzen

hier wordt het bed gemaakt en
veelsoortige worsteling aangegaan
om nergens goedkoop te bestaan.

IK

Denken is woordwerking
beleving mysterie
mysterie geen woord.

VORSTIN

Gods muis piept welluidend
boven alle gedonder uit
van vrees en ontbering

ontwaar haar
op de schoonmaaktroon
waar zij oplost

steeds ruimhartiger
in heiligst zitten
toont zij ons haar staartje.

NAZAAT

Zestig jaar krakkemikkig
gezocht naar verhevenheden
in mijn schedel

steeds lichter en ruimer
tuimelen door mijn huid
werelden in en uit

dankzij de brede tong
die schrik aanjoeg het dwaze
gehengel aan oevers.

Handreikingen

Maar als ik foeter op de een,
dan bedoel ik de ander.

(Shunryu Suzuki)

1

Voor L. (v.)

In de contreien van je karma
zocht ik het venster
dat open kon

nu de zomer intocht houdt
en er geen pad is
of mens in het verborgene

laat ik je weten
hoe mijn hand zich keert
naar de warmte van je hart.

2

Voor L. (m.)

De trom slaat gestaag
al hoor je niks of
toch weer wat anders

maak jezelf bewoonbaar
voor de bonte troep
van waanweigeraars

er loopt een stafdrager
in jouw tred leeuw
oefen stillere brulpraktijk.

3

Voor B.

Onpeilbaar de droesem
veelsoortige dromen

ooit leefde van adel
een vrouw in gemoedsrust

haar laatste woord
sprak zij tot jou

weet dus hoe het is
om van zo ver te komen.

4

Voor J. (v.)

Nee er wacht jou hier
geen gretig welkom

stervenskunst
doet blind ons gaan

maar vleugelloos voldoende
is jou die kiest

voor vredig smelten
je felst misvormde vogel.

5

Voor Re.

Zo jong en zo oud
en steeds zo onklaar

de vaart vergunt mijnheer
zo prettig traag vertierbeheer

wrede post staat jou te wachten
met een nuchter keerwoord

traanbewust onthaal vriend
verdient geen zakdoek.

6

Voor J. (m.)

Aan de grens is het dringen
tussen alle wisseling

niemand wenst een wond
in eigen handpalm

maar zodra het lied klinkt
en gebed de maat slaat

is redding gaande zelfs
voor aftandse vorsten.

7

Voor F.

Zal ik jou de krant lezen
een kopje koffie anders

proef gerust de onrust die
jou doet morsen op kwinkslag

alledaagse wrangheid
fluistert langs de sluiproutes

rond dit beroerd gevestigd
lusthuis van vergetelheid.

8

Voor Ri.

Sinds de galm van beelden
jou metselde tot brave borst

leren wij hier saai polijsten
het werelds buikjuweel

wacht dus op omgording door
een krijger in overgave hij

zal laten zegevieren zelfs jou
als sprankelende god.

9

Voor G.

We zijn geboren via
triviaalste blijk van liefde

als spookachtige behuizing
dolend gevestigd

kan niemand ontkennen
zijn voorraad innerlijke adel

al weigeren we nóg zo koppig ons
te erkennen als vorstenkind.

10

Voor W.

Grijs haar is geen ordeteken
goed beheer geen wijs gebaar

in breinkrochten woekert
de koorts van ongein

zolang het ons dwaze voeten
ontbreekt aan juiste richting en

zelfs een geschoolde hand zich
voegt naar perifeer gesein.

Vlezigst

1

Ademt het hart niet
in schoot van eenheidswerking

hijgend verslagen raad zoekend
in het vele vlugge steeds

ben je vlees gebleken
en waarheid weet dit bovenal.

2

Vanwaar verbijsterd nog
door zinnen heen concluderend

vanwaar toch steeds de ruimte
voor woordspel lekkende verwikkeling

werkzaam bevragen zal nooit
zich het volle.

3

De kop schreeuwt bekneld ik
heb te hoog gegrepen

ongezien sloegen mij wanden
van werkelijkheid tot zerk

onthoofd stuiter ik meewarig
op leegte’s bodem.

4

De fonteinontkenner
zegt dat bloed ach stolt

is goud soms erts of reëlere borg
voor onverzekerbaar genezen

licht dat stil ons lijvig sproeit
geurt meer en meer naar nectar.

5

Waar realiteit ons al
herleidt naar substantie

wil de dwerg daadkrachtig
zich nog benevelen

zwier bundeltje slierten
door leegte’s bochtenspel.

6

Zuiver groot en open spoelt
krachtvertoon geruisloos

nood verhelpend ook komt
logger werkverkeer op gang

vroeg in de ochtend
zingen vogels luid en helder.

7

De droom was creatief bordeel
meiden welgemoed en zorgzaam

hun zonnig plein begaanbaar
voor de veilig ontketende dolleman

die spoor na spoor bereid
bleek bekaf te volgen.

8

Vleesvracht is het universum
ongebreideld mysterie

van trilling ontgrendelde
kracht doortrekt ons weefsel

op ieders fragiele netvlies
drijft luchtdicht een wereldschim.

9

Denken verrijkt niet noch verarmt
wat werkt steevast

is heiligst doeltreffend
onze ademloze ontzetting

ten afscheid van wat dan ook
beschaamt.

10

Karmavlies omhult een als huid geboren
sterveling door lust geboeid

maar raakbaarder gloeit boeisel
nooit dan in vormloos verteren

enigszins gerustgesteld ontbindt
mijn gebeente zich in beleving.