Rilke

DE DICHTER

Tijd neemt afstand
ijlend slaat zij diepe wond
dag en nacht zocht ik eenzaam
waar woord zijn herkomst vond

geen lief geen onderdak
geen werk brengt mij tot leven
alles waar ik me aan schenk
toont mij voltooider weergegeven.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 38.

LIEFDESLIED

Hoe wend ik mijn ziel
om jou niet te raken
hoe til ik haar over
jou heen naar de rest

waar vind ik de plek
in vreemdste omgeving
die niet wordt geroerd
door jouw dieper bestaan

als de strijkstok twee snaren
zingt versmelting
één stem

op welk instrument
tovert wie dit
tere deinen?

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 52.

GLORIEUZE BOEDDHA

Midden van elk midden, kern aller kernen
steeds krachtiger zoetheidsamandel
tot aan de sterrengrens is dit alles
jouw vruchtvlees dat ik groet

kostelijk hoe niets meer kleeft
in jouw oneindigheid hoe
de bron stroomt en jou vult
en laat schitteren buiten

het licht van alle zonnen
die in gulste gloed jou sieren
terwijl van binnen reeds verstilt
wat glans en grauw overstijgt.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 60.

KLAAGZANG

Wie hoort jouw droefheid hart
nu jouw weg steeds omzichtiger
leidt door onpeilbare mensen
vergeefser nog naarmate het koerst
op toekomst die verging

al eerder viel jouw klacht
als een vroegrijpe jubelvrucht
blijkt breekbaar juist de jubelboom
nu in het stormen kraakt
het trage pronkstuk

van innerlijke weidsheid
waarin ooit mij onzichtbaar
engelen vergezelden.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 79.

GEEF MIJ O AARDE

Geef mij o aarde de pure
klank van tranenkruik
laat het wenen zich vergieten
zolang mijn hart verhardt

ooit zo gezuiverd mag dit vat
zijn oude droesem lossen en
bestrijden wat vergaat want weet
volmaaktheid slechts bestaat.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 190.

O ROOS

O roos, puur mysterie
van levend verlangen
achter zovele wimpers
niemand tot rust te zijn.

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 192.

JIJ LAATSTE

Kom maar, jij laatste die ik erken,
heilloze pijn in dit vleselijk weefsel:
zie, het vuur waarmee ik mijn geest verteerde
brandt in jou; lang verzette zich het hout
tegen meegaan met de vlam die jij schiet,
nu echter voed ik jou en brand in jou.
Mijn mildheid hier wordt in jouw woeden
een woede van vreemdste hel.
Heel puur, heel onbekommerd vrij van toekomst
beklom ik de van lijden ontregelde brandstapel,
om er niets komends te vergaren
voor dit hart van voorraden geledigd.
Ben ik het nog, in dit onkenbare branden?
Herinneringen sleur ik niet naar binnen.
O leven, leven: ruimte zijn.
En ik in lichterlaaie. Niemand die mij kent.

[Laat los. Dit is niet zoals ziekte was –
ooit in de kindertijd. Oponthoud. Aanleiding
tot groter worden. Alles riep en roerde zich.
Meng niets hierin van wat jou jong verbaasde.]

Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte.
Frankfurt am Main, 1966, p. 198 (doodsgedicht)