Celan

NACHTELIJK PRUILEND

Nachtelijk pruilend
de lippen der bloemen,
gekruist en gebonden
de stammen der sparren,
grauw is het mos, ontsteld de steen,
ontwaakt tot onafzienbare vlucht
de kauwen boven de gletsjer:

hier is waar zij raasden,
die wij achterhaalden:

zij zullen geen uren noemen,
geen vlokken tellen,
geen stromen volgen tot aan de stuw.

Afgezonderd staan zij in de wereld,
eenieder bij zijn nacht,
eenieder bij zijn dood,
bars, blootshoofds, berijpt
door het nadere en het verre.

Zij vereffenen de schuld die hun herkomst bezielde,
zij vereffenen haar aan een woord
dat, net als de zomer, ten onrechte bestaat.

Een woord – je kent het:
een lijk.

Laat ons het wassen,
laat ons het kammen,
laat ons zijn oog
hemelwaarts wenden.

Paul Celan: Verzamelde gedichten.
Amsterdam 2002, p. 116

THUISKOMST

Sneeuwval, steeds dichter,
duifkleurig, als gisteren,
sneeuwval, als sliep je ook nu nog.

Eindeloos verspreide witheid.
Daarop, onafzienbaar,
de sledesporen van het verlorene.

Eronder, geborgen,
stulpt zich omhoog
wat de ogen zo pijnigt,
heuvel na heuvel,
onzichtbaar.

Op elk ervan,
thuisgekomen in zijn heden,
een in stomheid vergleden ik:
van hout, een paaltje.

Daar: een gevoel,
door de ijswind overgewaaid,
vestigt er zijn duif-, zijn sneeuw-
kleurige vaan.

Paul Celan: Verzamelde gedichten.
Amsterdam 2002, p. 157