Vroeg Zeer

BLADEREN

 
Bladeren ruisen
bomen zwieren
terwijl gindse schilder
zijn levenstaak verricht
 
zwaluwen vliegen laag
septemberweer op til
wijdse wolken vormen
een onaantastbaar vergedicht
 
lieve prinses zonneschijn
waarom moet het zo moeilijk zijn
te spelen in een kinderrijm
 
te springen als een harlekijn
ongestoord te lachen
volmaakt gezond te zijn.
 

 
 

BOOM

 
Ik wil een boom zijn
en mijn groene haar vrijelijk
doen spelen met de zorgeloze wind
en enkele bevriende vogels
 
ben ik een boom
geen vogel kent mijn naam
uitgezonderd lieve Mira
Mira-lief weet mij te staan.
 

 
 

BRUG

 
Er rust een roestdodend roepen
een brug
van hier is de nachtegaal niet gekend
vloeistof niet water
naar hier stroomt het levensbloed en
juichsluipen de groengroenbomen spelers
 
de kinderen eens zullen staan
op tweegedeelde tafels
wetend van goed en
goed
en onze monden gepaard
gaan in lachende handen.
 

 
 

VERWEKPAARD

 
Het verwekpaard wil ik bekbekijken
weten van zijn adem
 
van verval is nu de tong knelt
en spiegels ziet in modderwater
 
op trilvingers breekt mijn lichtstralen oog
een dovemanshart kent taal noch teken.
 

 
 

RUGGELINGS

 
In een oogwenk groot
zijn de wijze dwazen
van het moment
 
nu eenkennige wijzers
ook ruggelings leerden leven
is twaalf niet meer vierentwintig
 
kleuren nu zijn geuren
zijn vleugels van
het ene lied
 
dat slag na slag
de reiziger van lichter
zicht voorziet.
 

 
 

MEESTERLIJK

 
Hij zegt het lied in woorden
maar klank vooral
met grootse interval
van cellulair tot aardvermaak
 
heeft hij weet van
steenhars en gezwel
en voelt van barse
wroeging
 
roept alle goden aan
en geeft de doden weer
zolang de lieden
sollen
 
zeg
wat er te zeggen valt
fitte rat met pikhouweel
en mond vol van bananen.